L’aveu, on le sait, n’est pas à proprement parler
un mode de preuve mais une dispense de preuve.
L’aveu judiciaire peut porter sur un fait juridique
ou sur un fait matériel mais pas sur une question juridique.
Le juge doit prendre en compte les données de fait
de l’aveu.
Mais il n’est pas lié par les conséquences
juridiques que tire de ces éléments la partie qui réalise l’aveu.
Un arrêt de la Cour de cassation du Cass. 17 juin
2005 illustre ce principe (rôle : C030608N, www.cass.be).
Des parties se disputent sur la vente entre elles
d’actions de société.
Une des parties (Monsieur V.B.) déclara à
l’audience de première instance que, selon lui, il n’y a avait pas eu vente des
actions à son profit, et qu’il ne les avait pas payées à l’autre partie,
Monsieur D.
Il ajouta qu’il avait presté des services à
Monsieur D. durant 10 ans.
Les parties avaient admis qu’elles avaient eu une
relation et avaient cohabité durant 9 ans.
Quant à Monsieur D., il déclara qu’il avait été
seul à entretenir leur communauté de vie.
Monsieur D. invoquait la nullité d’une cession
d’actions à V.B. Il obtient gain de cause en première instance.
La Cour d’appel de Gand va réformer le jugement
qui reconnaissait que la vente des actions ne s’est pas réalisée en l’absence
de paiement par V.B.
La Cour d’appel considéra en effet que le paiement
n’est pas indispensable pour que la vente soit formée (effectivement le
paiement intervient au stade de l’exécution et non de la formation de la
vente).
Or les déclarations de l’acheteur étaient
claires : il reconnaissait qu’il n’y avait pas eu vente et qu’il n’avait
pas procédé au paiement.
C’est pourquoi Monsieur D. forma un pourvoi fondé
notamment sur la violation de l’article 1356 du Code
civil en matière d’aveu.
La Cour rejette son pourvoi.
La Cour de cassation dit que les juges d’appel n’étaient pas liés
par la conclusions juridiques que Monsieur V.B. avait tiré de ses déclarations,
à savoir qu’il n’y avait pas eu vente puisqu’il n’avait pas payé les actions.
Les juges d’appel pouvaient en décider autrement sans méconnaître
l’aveu, les déductions juridiques de l’auteur de l’aveu pouvant être erronées.
Voici les attendus de la Cour dans la langue de l’arrêt :
“Overwegende dat, luidens artikel 1356, eerste
en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, een gerechtelijke bekentenis een
verklaring is die in rechte gedaan wordt door de partij of door haar bijzondere
gevolmachtigde en die een volledig bewijs oplevert tegen hem die de bekentenis
gedaan heeft ;
Dat dergelijke bekentenis kan slaan zowel op rechtsfeiten als op
materiële feiten, maar niet op een rechtsvraag ;
Dat de rechter, bij de uitlegging van een gerechtelijk bekentenis, alle
feitelijke gegevens ervan in aanmerking moet nemen, maar niet gebonden is door
de juridische gevolgen die de partij die de bekentenis heeft afgelegd, eruit afleidt ;
Overwegende dat de appèlrechters vaststellen dat verweerder ter
terechtzitting van de tweede kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent
op 31 januari 1997 verklaarde "dat er volgens hem geen verkoop is geweest
van de aandelen aan hem, dat hij aan (eiser) de aandelen niet heeft betaald"
en "dat hij wel gedurende 10 jaar aan (eiser) diensten heeft verstrekt,
zoals het doen van het huishouden" ; dat de appèlrechters verder vaststellen dat beide partijen
er verklaarden "een relatie te hebben gehad en gedurende 9 jaar te hebben
samengewoond" en dat eiser er verklaarde "dat hij in die periode de
enige kostwinner was van het gezin en instond voor het onderhoud van
(verweerder)" ;
Dat de appèlrechters tot een verkoop van de aandelen door eiser aan
verweerder besluiten en hierbij onder meer oordelen dat "om een geldige koop-verkoop tot stand te brengen, het verder niet (is)
vereist dat er een prijs wordt betaald : de koop-verkoop is tussen partijen
voltrokken en de koper verkrijgt van rechtswege de eigendom ten aanzien van de
verkoper, zodra er overeenkomst is omtrent de zaak en de prijs, hoewel de zaak
nog niet geleverd en de prijs nog niet betaald is" ;
Dat de appèlrechters aldus aannemen dat verweerder uit de omstandigheid
dat hij de aandelen niet heeft betaald, ten onrechte heeft afgeleid dat er geen
verkoop heeft plaatsgevonden ;
Dat de appèlrechters, door aldus de juridische gevolgen van het door
verweerder erkende feit "dat hij aan (eiser) de aandelen niet heeft
betaald" anders te beoordelen dan verweerder die ze heeft afgelegd, de in
het onderdeel aangewezen wetsbepalingen niet schenden ;
Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ;”