Résumé en français :
L’article 1050
al. 2 du Code judiciaire dispose que «
contre une décision rendue sur la compétence, un appel ne peut être formé
qu'avec l'appel contre le jugement définitif. » Autrement dit, une décision
sur la compétence n’est pas appelable immédiatement ; il faut attendre qu’elle
soit suivie d’un jugement sur le fond. Cette règle ne s’applique pas lorsque le
juge se déclare sans juridiction au motif qu’un juge étranger est compétent ou
lorsque le contrat donne le litige à connaître à un arbitre.
Inleiding
Het artikel 1050, al. 2 van het Gerechtelijk
Wetboek luidt als volgt : « Tegen een beslissing inzake
bevoegdheid kan slechts hoger beroep worden ingesteld samen met het hoger
beroep tegen het eindvonnis ».
Er kan derhalve niet
onmiddellijk hoger beroep worden ingesteld tegen een beslissing inzake
bevoegdheid ; het eindvonnis dient te worden afgewacht.
Wat is de exacte draagwijdte van deze bepaling ?
Is het artikel 1050, alinea 2 van het Gerechtelijk
Wetboek zowel toepasbaar op beslissingen inzake
bevoegdheid als inzake rechtsmacht ?
De bedoeling van de wetgever was dilatoire beroepen tegen beslissingen die uitspraak doen
over de bevoegdheid alvorens zich uit te spreken ten
gronde, uit te sluiten.
De exacte draagwijdte van het tweede lid van
artikel 1050 Ger. Wetboek werd door de rechtsleer
uitgediept (P. Van Rillaer, Artikelgewijze commentaar met overzicht van rechtsleer en
rechtspraak, Kluwer, Rechtswetenschappen, 1985,
1993 & 2002, p. 297 e.v.).
Het tweede lid van het artikel 1050 Ger. Wetboek heeft betrekking op “beslissingen inzake bevoegdheid” (a), waartegen enkel hoger beroep kan
worden ingesteld samen met het “eindvonnis” (b).
Beslissingen inzake bevoegdheid
De tekst van het artikel 1050, alinea 2, Ger. Wetboek, maakt geen onderscheid tussen beslissingen
waarbij de eerste rechter zich bevoegd verklaart en beslissingen waarbij hij
zich niet bevoegd verklaard.
Op basis van het beginsel “ubi lex
non distinguit, nec nos distinguere” (wanneer de
wet geen onderscheid maakt, moeten wij ook geen onderscheid maken) is de
rechtsleer er vanuit gegaan dat het tweede lid van het artikel 1050 Ger. Wetboek zowel van toepassing is op beslissingen waarbij
de eerste rechter zich bevoegd of onbevoegd verklaart (P. Van Rillaer, Artikelgewijze
commentaar met overzicht van rechtsleer en rechtspraak, Kluwer,
Rechtswetenschappen, 1985, 1993 & 2002, p. 297 e.v.).
Deze stelling wordt tevens gevolgd door de bodemrechtspraak
(Luik, 1 december 2000, J.T., 2001, p. 801 ; Luik, 23
september 1999, J.T., 2000, p. 67; Antwerpen, 14 juni 1999, A.J.T., 2000-2001,
p. 29 ; Brussel, 2 oktober 1997, A.J.T., 1999-2000, p.
291).
Een recent arrest van het Hof van Cassatie (Cass., 13 februari 2003, www.cass.be, rolnr.
RC032D1) heeft dit standpunt bovendien uitdrukkelijk bevestigd
:
“Hoger beroep tegen het vonnis waarbij de geadieerde rechter zich bevoegd of onbevoegd verklaart is
slechts mogelijk nadat de rechter die zich bevoegd heeft verklaard of de als
bevoegd aangewezen rechter een eindvonnis heeft gewezen over de
ontvankelijkheid of de gegrondheid.”
De zaak stelde zich als volgt voor
:
De Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen
verklaarde zich bij vonnis van 18 februari 1999 onbevoegd en verzond de zaak
naar de Arbeidsrechtbank te Antwerpen.
Tegen deze beslissing inzake
bevoegdheid kon derhalve, conform het artikel 1050, alinea 2, Ger. Wetboek,
slechts hoger beroep worden ingesteld samen met
een hoger beroep tegen het eindvonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen.
Verweerster in eerste aanleg tekende echter beroep
aan voor het Hof van Beroep te Antwerpen, dat het beroep ontvankelijk
verklaarde, omwille van het feit dat als de eerste rechter zich ratione materiae
onbevoegd verklaart, tegen diens beslissing onmiddellijk hoger beroep openstaat
omdat er na die beslissing van de eerste rechter geen eindvonnis meer door
dezelfde rechtbank kan geveld worden.
Het Hof van Cassatie heeft geoordeeld dat de
appelrechters de artikelen 1050, tweede lid, en 1055 van het Gerechtelijk
Wetboek hebben geschonden, door het hoger beroep tegen
het vonnis waarbij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen zich onbevoegd
verklaarde en de zaak verzond naar de Arbeidsrechtbank te Antwerpen,
ontvankelijk te verklaren.
Het arrest werd derhalve
vernietigd.
Er bestaat derhalve geen
twijfel over het feit dat er geen hoger beroep mogelijk is, wanneer de eerste
rechter zich bevoegd of onbevoegd heeft verklaard, alvorens de uiteindelijke
bevoegde rechter het eindvonnis heeft uitgesproken.
Eindvonnis
Zoals hoger reeds werd
uiteengezet, kan tegen een beslissing inzake bevoegdheid slechts hoger beroep
worden ingesteld samen met het hoger beroep tegen “het eindvonnis” ;
Wat moet worden verstaan onder “het eindvonnis” ?
Overeenkomstig het artikel 19, alinea 1, van het
Gerechtelijk Wetboek is het vonnis een eindvonnis in zoverre daarmee de
rechtsmacht van de rechter over een geschilpunt uitgeput is.
Dit type vonnis wordt in het Gerechtelijk wetboek
onderscheiden van een tussenvonnis waarin de rechter een voorafgaande maatregel
beveelt om de vordering te onderzoeken of de toestand van de partijen voorlopig
te regelen.
Het Hof van Cassatie heeft in voormeld arrest d.d.
13 februari 2003 geoordeeld dat :
“uit
de wetsgeschiedenis van de wet van 3 augustus 1992 tot wijziging van het
Gerechtelijk Wetboek, waarbij artikel 1050, tweede lid, werd ingevoegd (…),
blijkt dat een eindvonnis in de zin van deze wetsbepalingen een vonnis is inzake de ontvankelijkheid of de gegrondheid, uitgesproken
door de rechter die zich bevoegd heeft verklaard dan wel door de als bevoegd
aangewezen rechter.”
Een tussenvonnis, waarbij een rechter louter een
expertise beveelt, zonder in te gaan op de gegrondheid van de zaak, kan derhalve zeker niet als een eindvonnis worden beschouwd.
Uit hoger vermelde uiteenzetting staat vast dat er
geen onmiddellijk hoger beroep openstaat tegen een vonnis waarbij de geadieerde rechter zich bevoegd verklaart en enkel een
expertise alvorens recht te doen, beveelt ;
Een dergelijk hoger beroep is slechts mogelijk
nadat de rechter die zich bevoegd heeft verklaard een eindvonnis heeft gewezen
over de gegrondheid van de zaak.
Exceptie van jurisdictie
De vraag stelt zich of de zelfde principes dienen
te worden toegepast in geval van exceptie van jurisdictie ;
Deze exceptie wordt opgeworpen wanneer partijen in
hun overeenkomst een arbitragebeding hebben voorzien, of wanneer het geschil
valt buiten de rechtsmacht van de Belgische Hoven en Rechtbanken.
In een eerste (lange)
fase na de inwerkingtreding van de Wet van 3 augustus 1992 tot wijziging van
het Gerechtelijk Wetboek, werd zowel door de rechtspraak als rechtsleer
eensgezind geoordeeld dat er geen verschil diende te worden gemaakt tussen het
geval van exceptie van onbevoegdheid en exceptie van jurisdictie (Luik, 1
februari 1994, J.L.M.B., 1994, p. 1058 ; Luik, 23 september 1999, J.T.,
2000, p. 67 ; H. Born, M. Fallon, en J.L. Van Boxstael, “Droit judiciaire international – chronique de jurisprudence :
1991-1998, Les dossiers du J.T., nr. 28, Brussel, Larcier,
2001, p. 535, nr. 273 ; M. Storme,
Le droit judiciaire rénové, p. 15).
Er werd m.a.w. tevens toepassing gemaakt van het
hoger vermeld beginsel “ubi lex
non distinguit, nec nos distinguere.”
Volgens deze rechtspraak en rechtsleer is hoger
beroep tegen het vonnis waarbij de geadieerde rechter
zich met of zonder jurisdictie verklaart derhalve
slechts mogelijk nadat een eindvonnis werd uitgesproken ;
Een arrest van het Hof van Beroep te Luik (Luik, 5
maart 2002, J.T. 2003, p. 8) is echter meer genuanceerd.
In deze zaak verklaarde de Rechtbank van
Koophandel te Verviers zich bij vonnis van 8 november
1999 zonder jurisdictie daar de Rechtbanken in Oostenrijk bevoegd waren.
Het Hof van Beroep te Luik dat werd gevat,
oordeelde dat wanneer de Belgische Rechtbanken zich zonder jurisdictie
verklaren, zij hun rechtsmacht volledig uitputten.
In dat geval zullen de Belgische Rechtbanken
materieel geen eindvonnis kunnen uitspreken.
Het Hof heeft vervolgens voor de toepassing van
het artikel 1050, alinea 2, Ger. Wetboek een
onderscheid gemaakt tussen vonnissen zich uitsprekende over bevoegdheid of
jurisdictie.
Mevrouw G. Closset-Marchal is van mening dat beroep tegen beslissingen
inzake rechtsmacht onmiddellijk mogelijk is (L’appel, in Actualité
et développements récent en droit
judiciaire, C.U.P., Larcier
2004, p. 274). Dit is tevens de zienswijze
van de Heer H. Boularbah
(Le jugement statuant sur un
déclinatoire de juridiction des Cours et
tribunaux belges est-il une décision rendue sur la compétence au sens de
l’article 1050 al. 2 et 1055 du Code judiciaire ?, obs. onder
Luik 5 mars 2002, J.T. 2003, p. 9). Volgens deze auteurs moet er een onderscheid
worden gemaakt tussen vonnissen zich uitsprekende over excepties van bevoegdheid
en excepties van jurisdictie ; alleen de exceptie van
bevoegdheid valt onder het artikel 1050, alinea 2 van het Gerechtelijk wetboek.
In voormeld arrest wordt de redenering echter
gevoerd in het kader van een vonnis waarbij de eerste rechter zich zonder
jurisdictie heeft verklaard.
Het Hof spreekt zich echter niet uit over een
eventueel beroep ingevolge een vonnis waarbij de
eerste Rechter zich met jurisdictie verklaart.
In dat geval blijft de zaak immers aanhangig voor
de Belgische Rechtbanken en geldt de redering van het Hof niet, vermits er een eindvonnis zal kunnen worden uitgesproken
door de Belgische rechtbanken.
Indien, samen met het Hof van Beroep te Luik, kan
verstaan worden dat het artikel 1050, alinea 2 Ger.
Wetboek niet van toepassing is in ingeval van tussenvonnis waarin de Eerste
rechter zich zonder jurisdictie verklaart, omdat in dat geval het materieel
onmogelijk is te voldoen aan de voorwaarden van dit artikel (er komt geen
eindvonnis), blijft het artikel van toepassing in geval van tussenvonnis waarin
de Eerste rechter zich met jurisdictie verklaart.
Er moet in dit laatste geval duidelijk worden
teruggegrepen naar het artikel 1050, alinea 2, Ger. Wetboek.
Het Hof van beroep te Luik heeft in elk geval
geoordeeld dat hoger beroep tegen een vonnis waarin de eerste rechter zich
zonder rechtsmacht had verklaard ten voordele van de Franse Rechtbanken,
onontvankelijk was (Luik, 26 juni 2002, niet gepubliceerd, A.R. nr 2002/611).
> Hoger beroep tegen een vonnis inzake bevoegdheid en jurisdictie
19 janvier 2005, par La rédaction
La Cour d’appel de Antwerpen a jugé que le jugement sur un déclinatoire de juridiction en raison d’une clause d’arbitrage est immédiatement appelable (7 avril 2003, R.D.C. 2004, p. 572). Cet arrêt est suivi d’une note de Maud Piers "de beslissing van de rechter over een exceptie van arbitrage is onmiddelijk vatbar voor hoger beroep".