Op 22 oktober
jongstleden sprak het Hof van Cassatie zich uit over de matigingsbevoegdheid
van de rechter bij het toekennen van een geldsom in het kader van een strafbeding. Het
Hof oordeelde dat bij de toepassing van art. 1231 BW de rechter het toegekende
bedrag moet herleiden tot de potentiële en niet de werkelijke schade en dat het
toegekende bedrag niet minder mag
bedragen dan het bedrag van de werkelijk geleden schade (www.cass.be).
Résumé en français: le 22 octobre dernier la Cour de Cassation s’est exprimée sur le pouvoir
de révision du juge quand il accorde un somme d’argent dans le cadre d’une
clause pénale. La Cour à jugé qu’en appliquant l’art. 1231 BW, le juge doit
réduire le montant accordé au dommage potentiel
en non pas le dommage réel et que le montant accordé ne peut pas être inférieur
au montant du dommage réel.
In casu ging het om een schadebeding in
het kader van een huur- en onderhoudscontract van een kopieermachine.
Beide partijen
vorderden de ontbinding van de overeenkomst met de betaling van een
schadevergoeding lastens de andere partij.
De partijen
hadden in de overeenkomst een verbrekingsvergoeding bedongen ten belope van 85 %
van de nog te vervallen huurgelden.
Het Hof van
Beroep van Brussel oordeelde op 25 september 2002 dat deze vergoeding
buitensporig voorkwam ten aanzien van de potentiële schade zoals die bij de
ondertekening van de overeenkomst door de partijen kon worden voorzien.
Het Hof van
Beroep stelde dat een schadebeding slechts een forfaitaire vergoeding mag zijn
voor de schade die de schuldeiser kan lijden door het niet nakomen van de
verbintenis door de schuldenaar.
In deze zaak
oordeelde het Hof van Beroep dat het schadebeding ongenuanceerd was, niet
voorzag in een degressief percentage, geen rekening hield met de omvang van de
nog te vervallen huurtermijnen, niet voorzag in een maximumbegrenzing en geen
rekening hield met de economische residuwaarde van het kopieertoestel.
In de ogen van het Hof van Beroep ging het
strafbeding kennelijk het bedrag te boven dat de partijen konden vaststellen om
de schade wegens de niet-uitvoering van de overeenkomst te vergoeden.
De straf werd
dan ook verminderd.
Het is onder
meer deze vermindering die in het cassatieberoep werd aangevochten met als
argument dat het Hof van Beroep niet over vaste gegevens beschikte om de
geleden schade te berekenen.
Het Hof van
Cassatie verwerpt deze argumentatie.
Het Hof van
Cassatie herhaalt dat, krachtens art. 1231, § 1, eerste lid B.W., de rechter de
straf die bestaat uit een bepaalde geldsom kan verminderen, wanneer die som
kennelijk het bedrag te boven gaat dat de partijen konden vaststellen om de
schade wegens de niet-uitvoering van de overeenkomst te vergoeden.
Het Hof van
Cassatie gaat verder door te zeggen dat de rechter die zijn
matigingsbevoegdheid uitoefent, het bedrag van het strafbeding dient te
verminderen tot het bedrag van de potentiële
schade, zonder dat het toegekende bedrag echter minder mag bedragen dan de werkelijk geleden schade.
Het preciseert
echter dat men er niet mag van uitgaan dat de rechter verplicht zou zijn het
bedrag te verminderen tot de werkelijk geleden schade.
Het Hof van
Cassatie stelde dat het Hof van Beroep over voldoende concrete gegevens
aanbracht om te motiveren dat het strafbeding buitensporig was en verwierp het
cassatieberoep.