Inwerkingtreding
1. Ruim een half jaar
geleden verscheen het Decreet van 31 januari 2003 betreffende het economisch ondersteuningsbeleid (voortaan : het
Decreet) in het Belgisch Staatsblad
(25 maart 2003).
Overeenkomstig artikel 42, §1 van het Decreet komt het de Vlaamse regering
toe de inwerkingstelling ervan te regelen.
Wat het gedeelte van het Decreet betreft dat
betrekking heeft op de investeringssteun voor ondernemingen is dit ondertussen
gebeurd.
Het Besluit van de Vlaamse regering van 10
oktober 2003 tot toekenning van steun aan KMO’s voor investeringen in het
Vlaamse Gewest (BS, 10 november 2003) stelt immers dat de bepalingen van
het Decreet met betrekking tot de investeringssteun in werking treden “op de
datum van de eerste oproep tot indiening van de subsidieaanvragen na bekendmaking
van dit besluit in het Belgisch Staatsblad”.
Navraag bij het Ministerie voor Economische
Aangelegenheden leerde dat deze “eerste oproep”
op 18 november 2003 ontvangen werd.
Concreet betekent dit dat deze bepalingen van
het Decreet voortaan van toepassing zijn op steunaanvragen.
Logischerwijze blijven op de eerdere
steunaanvragen de wet van 30 december 1970 betreffende de economische expansie,
de wet van 4 augustus 1978 tot economische heroriëntering en het Decreet van 15
december 1993 tot bevordering van de economische expansie van het Vlaamse
Gewest van toepassing (artikel 29, tweede lid van het Besluit).
Toepassingsgebied
2. Het onderscheid
tussen kleine, middelgrote en grote ondernemingen is voor de toepassing van het
Decreet van primordiaal belang.
De regeling betreffende de investeringssteun vindt immers enkel
toepassing op kleine en middelgrote ondernemingen (artikel 10 Besluit), waarbij de steun voor
deze KMO’s op respectievelijk 15% en 7,5% van de gedane investering
geplafonneerd worden.
Bovendien komen enkel ondernemingen behorende
tot een aantal sleutelsectoren in aanmerking (artikel 11 Besluit). Deze
honderden (!) sleutelsectoren zijn opgenomen in de bijlage van het Belgisch
Staatsblad van 10 november 2003.
Volledigheidshalve moet erop gewezen worden
dat ondernemingen die niet zouden voldoen aan de regelgeving die van toepassing
is in het Vlaamse Gewest, van de toekenning van steun in de betekenis van dit
Decreet uitgesloten worden (artikel 6 Decreet).
3. De indeling van deze
drie types ondernemingen gebeurt aan de hand van het aantal tewerkgestelde
werknemers (minder dan respectievelijk 50 en 250), de jaaromzet (maximaal 7
miljoen € of een jaarlijkse balanstotaal van maximaal
5 miljoen € voor kleine ondernemingen en 40 en 27 miljoen € voor middelgrote
ondernemingen) en het feit of ze al dan niet aan het “zelfstandigheidcriterium”
voldoen (artikel 3, 2° & 3° Decreet).
De grote ondernemingen vallen in een rest-categorie en zijn
eenvoudigweg bestaande uit alle ondernemingen die niet onder één van de twee
vorige categorieën ressorteren (artikel 2, 4° Decreet).
Het Besluit verschaft een aantal
verduidelijkingen over de manier waarop dit zelfstandigheidcriterium, het
personeelsbestand en de jaaromzet en/of het balanstotaal moeten worden bepaald
(artikelen 2, 3 en 4 Besluit).
Toekenningsvereisten
4. Hier bovenop
wordt de toekenning van steun aan KMO’s aan een aantal voorwaarden gekoppeld.
De gesubsidieerde projecten moeten immers “betrekking hebben op de oprichting
van een nieuwe onderneming, de uitbreiding van een bestaande onderneming, het
verrichten van een werkzaamheid die een fundamentele wijziging meebrengt in het
product of het productieproces van een bestaande onderneming” (artikel 6
Decreet).
De toegekende steun is ook aan bepaalde
limieten van steunintensiteit gebonden.
Ook een duurzaamheidvereiste wordt gesteld
(artikel 7 Decreet).
Terugvordering
5. De uitbetaling
van de steun is echter geen onvoorwaardelijke verworvenheid.
Overeenkomstig artikel 38 van het Decreet, heeft de Vlaamse regering een aantal regels
inzake de terugvordering van de uitgekeerde steun opgesteld (artikel 24
Besluit).
Dit is onder meer het geval bij faillissement
of niet-naleving van de door het Decreet opgelegde voorwaarden.
Andere
6. De Vlaamse regering heeft gebruik gemaakt van haar mogelijkheid om iedere
cumulatie met de steun in het kader van deze investeringssteun onmogelijk te
maken (artikel 4, lid 2 Decreet & artikel 5 Besluit).
Regels inzake de
uitbetaling en het tijdstip waarop de aanvraag tot uitbetaling moet worden
ingediend.
Toekomst
7. Door het
indienen van een eerste aanvraag tot investeringssteun (18 november 2003), is
het Besluit en hiermee de Hoofdstukken I, II, XII tot en met XIV, XVI en
XVII van het Decreet in werking getreden.
De overige onderdelen van het Decreet die onder meer betrekking hebben
op het verlenen van een investeringssteun voor ecologie, opleiding of nog de
sanering van vervuilde bedrijventerreinen zullen op een later tijdstip in
werking treden.
Dat de inwerkingtreding van deze overige
onderdelen enige vertraging oploopt, kan in grote mate worden verklaard door de
omslachtige procedure die moet worden gevolgd (o.m. de goedkeuring van de
Europese Commissie).
De bepalingen met betrekking tot de investeringssteun voor
KMO’s zijn van hun kant in overeenstemming met de Europese Verordening 70/2001,
wat de inwerkingtreding aanzienlijk vergemakkelijkte.
Wat de toepassing van de bepalingen die
hierboven in kort bestek werden behandeld betreft, wordt de werking van eerdere
wetten uitgeschakeld.