Droit Fiscalité belge

www.businessandlaw.be

Site d'informations fiscales, juridiques et comptables en droit belge

1. De arbitreerbaarheid van handelsagentuurovereenkomsten

In tegenstelling tot de arbitreerbaarheid van (exclusieve) alleenverkoopovereenkomsten die de laatste jaren uitvoerig aan bod is gekomen in rechtspraak en rechtsleer, werd aan de arbitreerbaarheid van handelsagentuurovereenkomsten relatief weinig aandacht besteed. Althans tot nu.

In zijn arrest van 16 november 2006 oordeelde het Hof van Cassatie met betrekking tot de arbitreerbaarheid van (exclusieve) concessieovereenkomsten : “In het raam van een voor hem opgeworpen exceptie van rechtsmacht, kan de rechter die de arbitreerbaarheid van een geschil moet nagaan, dit beoordelen volgens zijn eigen recht. Zelfs indien het geschil in de arbitrageovereenkomst werd onderworpen aan een vreemd recht, wordt de arbitrage uitgesloten indien het geschil krachtens de lex fori niet aan de bevoegdheid van de nationale rechter mag worden onttrokken.

In zijn arrest van 14 januari 2010 gaat het Hof van Cassatie nog een stapje verder : “Wanneer de arbitrageovereenkomst aan een vreemde wet is onderworpen, moet de rechter die kennisneemt van een exceptie van rechtsmacht, de arbitrage uitsluiten wanneer het geschil krachtens alle relevante rechtsregels van de lex fori niet aan de rechtsmacht van de nationale rechter mag worden onttrokken.

In zijn arrest van 3 november 2011 trekt het Hof van Cassatie deze redenering door naar de handelsagentuurovereenkomsten, hetgeen uiteraard niet betekent dat alle geschillen inzake handelsagentuur hoe dan ook van arbitrage zijn uitgesloten. Indien en voor zover de dwingende bepalingen van de Wet van 13 april 1995 zich hiertegen verzetten, is arbitrage niet mogelijk.

Een geschil zal daarentegen wel arbitreerbaar zijn :

-               Indien de dwingende bepalingen van de Wet van 13 april 1995 er zich niet tegen verzetten.

-               Wanneer de scheidsrechters hoe dan ook verplicht zijn het Belgisch recht toe te passen.

-               Wanneer het gekozen vreemde recht een gelijkwaardige bescherming biedt.

De feitenrechter zal op onaantastbare wijze oordelen of aan een van deze voorwaarden is voldaan.

2. Opeenvolgende handelsagentuurovereenkomsten van bepaalde duur (artikel 4, alinea 3)

 

Overeenkomstig artikel 4, alinea 3 van de Wet van 13 april 1995 wordt een handelsagentuurovereenkomst die voor bepaalde tijd is aangegaan en die na afloop van de termijn wordt voortgezet, van bij het afsluiten geacht een overeenkomst van onbepaalde duur te zijn.

Deze bepaling belet evenwel niet dat partijen diverse opeenvolgende overeenkomsten van bepaalde duur kunnen afsluiten. In het geschil voorgelegd aan het Hof van Cassatie was er sprake van een initiële overeenkomst van bepaalde duur. Daaropvolgend werden nog acht andere overeenkomsten van bepaalde duur ondertekend waarin de modaliteiten van de commerciële samenwerking verder werden uitgewerkt.

Het Hof van Beroep van Brussel oordeelde in zijn arrest van 25 mei 2010 dat het in casu om een overeenkomst van onbepaalde duur ging.

In zijn arrest van 3 november 2011 oordeelde het Hof van Cassatie dan weer dat het middel van eiseres, als zou artikel 4, alinea 3 enkel van toepassing zijn in geval van een stilzwijgende verlenging zonder dat partijen evenwel de mogelijkheid van een verlenging voor een nieuwe bepaalde duur hadden voorzien in de overeenkomst, faalt naar recht.

Het Hof stelt dat het aan de rechter is om een eventuele voortzetting zoals bepaald in artikel 4, alinea 3 af te leiden uit de omstandigheden van de zaak. Eenzelfde redenering is van toepassing in geval van diverse stilzwijgende verlengingen van bepaalde duur.

3. Prejudiciële vraag (Arrest van 5 april 2012 van het Hof van Cassatie) 

De feiten die aanleiding hebben gegeven tot het arrest van het Hof van Cassatie van 5 april 2012 kunnen worden samengevat als volgt. Tussen de NV UNAMAR en de vennootschap naar Bulgaars recht, NAVIGATION MARITIME BULGARE, werd een schriftelijke handelsagentuurovereenkomst afgesloten. In de overeenkomst werd bepaald dat het Bulgaars recht van toepassing was en elk geschil zou worden voorgelegd aan de Bulgaarse Kamer van koophandel en industrie te Sofia.

Volgens de Belgische vennootschap werd de handelsagentuurovereenkomst onrechtmatig beëindigd. Bijgevolg vorderde zij de diverse vergoedingen bepaald in de Wet van 13 april 1995. De Bulgaarse vennootschap wierp als verweer de exceptie van afwezigheid van rechtsmacht op grond van een arbitragebeding op.

Uit artikel 27 van de Wet van 13 april 1995 volgt dat aan een agent die zijn hoofdvesting in België heeft de bescherming moet geboden worden van de dwingende bepalingen van de Belgische wet ongeacht het recht dat van toepassing is op de overeenkomst.

Artikel 3 van het Verdrag van Rome van 19 juni 1980, dat in casu van toepassing is, bepaalt dat een overeenkomst wordt beheerst door het recht dat partijen hebben gekozen.

Artikel 7.2 van het Verdrag van Rome van 19 juni 1980 bepaalt : “Dit Verdrag laat de toepassing onverlet van de bepalingen van het recht van het land van de rechter die ongeacht het op de overeenkomst toepasselijke recht, het geval dwingend beheersen”.

Een uitlegging van voormelde bepalingen dringt zich op.

Immers, de artikelen 18 (met betrekking tot de opzegging), 20 (met betrekking tot de uitwinningsvergoeding) en 21 (met betrekking tot de bijkomende schadevergoeding) van de Wet van 13 april 1995 worden als bepalingen van bijzonder dwingend recht gekwalificeerd in de zin van artikel 7.2 EVO, de artikelen 3 en 7.2 EVO, al dan niet in samenhang gelezen met richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen in de Lidstaten inzake zelfstandige agenten.

Bijgevolg stelt zich vraag of de bepalingen van bijzonder dwingend recht die een ruimere bescherming bieden dan het minimum opgelegd door Richtlijn 86/653/EEG moeten worden toegepast op een overeenkomst, ook al biedt het recht dat van toepassing is op de overeenkomst eveneens de minimumbescherming opgelegd door Richtlijn 86/653/EEG.

Het wordt derhalve uitkijken naar de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

G. Duym et J.-P. Vaneste

Un article de  VAN NESTE Jean-Paul
Vous pouvez envoyer un email aux auteurs de ce document en cliquant sur leur nom ci-dessus. Si vous le désirez, vous pouvez également participer à la vie du site en ajoutant un commentaire à ce document (ci-dessous).
Les commentaires sur cet article
Si vous le désirez, vous pouvez également participer à la vie du site en ajoutant un commentaire à ce document (ci-dessous).