Un arrêt de la Cour de cassation du 27 avril 2006
nous donne l’occasion d’aborder la sanction de l’inobservation d’un droit
de préemption.
AEG a vendu un complexe immobilier à Woluwe Corner par acte sous seing privé du 8 avril 1997.
Dans ce complexe se trouve notamment un lot n° 2.
Dans un acte du 5 janvier 1982, AEG avait accordé
à Delacre un droit de préférence sur ce lot n° 2.
Multimas a été subrogée à Delacre
dans ce droit de préférence.
Lors de la vente du complexe immobilier le 8 avril
1997, les parties Woluwe Corner et AEG avaient
connaissance de droit de préférence de Multimas.
Woluwe Corner et AEG ont convenu un prix exorbitant
pour le lot n° 2, spéculant sur l’abandon par Multimas
de son droit de préférence.
Dans ce comportement, la Cour d’appel de Bruxelles
a vu une violation par le vendeur AEG de son obligation découlant du droit de
préemption.
Les juges d’appel ont aussi considéré que
l’acheteur Woluwe Corner savait et devait savoir que
ce droit existait de sorte qu’elle avait participé à cette violation.
La Cour d’appel de Bruxelles a donc annulé
l’intégralité de la vente du complexe comprenant le lot n° 2, pour permettre à Multimas d’exercer son droit de préemption en nature sur
ledit lot n° 2.
Que dit la Cour de cassation ?
En principe, dit-elle, l’inexécution d’un droit de
préemption par le vendeur n’aboutit pas à l’annulation de la vente intervenue
au mépris de ce droit de préemption.
Seuls des dommages et intérêts sont dus.
En revanche, si la responsabilité de l’acheteur
est retenue du chef de tierce complicité de l’inexécution contractuelle par le
vendeur, et si ce vendeur est à la cause, le juge peut prononcer l’annulation
de la vente à titre de réparation du dommage subi par le bénéficiaire du droit
de préemption.
On notera que la Cour d’appel avait d’un même
contexte ordonné au vendeur d’offrir en vente le lot n° 2 à Multimas,
bénéficiaire du droit de préemption, à un prix considéré comme la valeur réelle
de ce lot, dans la totalité du prix de vente.
La deuxième branche du second moyen reprochait aux
juges d’appel d’avoir ordonné de présenter à la vente le lot n° 2 sur quoi
portait le droit de préemption, alors même que c’était l’ensemble du complexe
immobilier qui était vendu et pas seulement ce lot.
Ce faisant, reconnut toutefois la Cour de
cassation, les juges d’appel n’ont pas méconnu la portée du droit de préemption
ni l’autorité attachée à l’acte du 5 janvier 1982.
Mais la Cour de cassation a dit également qu’à
cette occasion les juges d’appel n’ont pas davantage méconnu les articles 1142
et 1145 du Code civil.
Le pourvoi faisait ici allusion à la jurisprudence
française.
Ces dispositions prévoient que l’inexécution d’une
obligation de faire ou de ne pas faire se résout en dommages en intérêts.
Et effectivement, la Cour de cassation française se
base sur l’article 1142 du Code civil pour justifier sa réticence à forcer la
vente au bénéficiaire du droit de préemption violé, à titre de réparation en
nature au lieu d’une réparation en argent.
La Cour de cassation française considère que l’on
ne peut forcer le vendeur à vendre à une personne à qui il n’a, justement, pas
voulu céder son bien (Cass. fr. com. 27 mai 1986, R.T.D.Civ. 1987, p. 90 et les observations de J.
Mestre ; Cass. fr. civ. 30 avril 1997, R.T.D.Civ. 1997, p. 673 et les observations de M. Jourdain
et p. 685 avec les observations de M. Gautier).
Manifestement la Cour de cassation belge ne suit
pas la Cour de cassation française, et elle a raison.
En effet, en concédant un droit de préemption, le
vendeur a au contraire marqué son accord pour vendre au bénéficiaire, à
certaines conditions.
Si le bénéficiaire exerce le droit de préemption,
il y a vente en exécution de la clause accordant un droit de préférence.
Il n’est donc pas question de forcer ou non une
partie à vendre, mais seulement d’exécuter l’accord prévoyant cette vente.
Ceux que le sujet intéresse trouveront une étude
récente et exhaustive dans la contribution de Mesdames M. Vanwijck-Alexandre
et St. Bar, Le pacte de préférence ou le droit de conclure par priorité,
in Le processus de formation des
contrats, Commission Université-Palais
Liège, n° 09/2004, Vol. 72, Larcier 2004, p. 137
à 187.
Avant de citer les attendus dans la langue de
l’arrêt, terminons en relevant encore la réponse de la Cour à la première
branche du premier moyen.
Le droit de préemption était accordé « à peine de dommages et
intérêt. »
Une pareille clause, avait dit la Cour d’appel,
n’exclut pas que le bénéficiaire puisse poursuivre la réparation en nature par
l’annulation de la vente, car la clause ne signifie pas que le bénéficiaire ait
expressément renoncé à cette forme de réparation.
En disant cela, pose la Cour de cassation, la Cour
d’appel n’a nullement violé la foi due à la convention.
Voici enfin les attendus de la Cour de cassation :
“ Eerste
middel
Eerste onderdeel
1. De appelrechters oordelen dat "de zinsnede 'op straffe van
schadevergoeding' er op zich niet aan in de weg (staat) dat (de eerste
verweerster) via de nietigverklaring het herstel in natura kan nastreven,
aangezien hieraan niet uitdrukkelijk werd verzaakt". Zij geven aldus van
de overeenkomst een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar
is en miskennen aldus de bewijskracht niet ervan.
2. Zij miskennen evenmin de verbindende kracht ervan, maar beoordelen de
rechtsgevolgen van deze overeenkomst op grond van de uitlegging die ze eraan
geven.
3. Het onderdeel kan niet worden aangenomen.
Tweede onderdeel
4. Het niet nakomen van een voorkeurrecht door de verkoper, heeft in
beginsel, niet de nietigheid tot gevolg van de koopovereenkomst die in weerwil
van dit voorkeurrecht werd gesloten. Indien de koper aansprakelijkheid oploopt
wegens derde-medeplichtigheid aan de contractbreuk van de verkoper, kan de
rechter wanneer ook de verkoper in het geding is betrokken de nietigheid van de
overeenkomst uitspreken als vorm van herstel van de schade van de begunstigde
van het voorkeurrecht ten gevolge van deze derde-medeplichtigheid aan de
contractbreuk van de verkoper.
5. De appelrechters stellen vast dat:
- de tweede verweerster bij onderhandse overeenkomst van 8 april 1997
een complex van onroerende goederen gelegen te Vilvoorde, waaronder een lot 2,
verkocht aan de NV Robelco die optrad voor rekening van de eiseres;
- de tweede verweerster in een akte van 5 januari 1982 aan de NV Delacre
met betrekking tot dit lot 2 een recht van voorkeur had verleend;
- de eerste verweerster in het voorkeurrecht van de NV Delacre werd
gesubrogeerd;
- de partijen bij de overeenkomst van 8 april 1997 kennis hadden van het
voorkeurrecht van de eerste verweerster;
- de tweede verweerster en de eiseres hebben afgesproken om het lot 2
tegen een "niet realistische en fel overdreven prijs" aan te bieden
aan de eerste verweerster "in de hoop en zelfs de wetenschap dat (de
eerste verweerster) hierop niet zou ingaan".
De appelrechters oordelen dat de tweede verweerster het voorkeurrecht
van eerste verweerster "op schuldige wijze heeft miskend, dat (eiseres) op
de hoogte was en moest zijn van het bestaan van dit recht, en dat deze laatste
aan de schending ervan heeft deelgenomen of minstens actief meegewerkt".
Zij oordelen verder dat de vordering tot nietigverklaring van de overeenkomst
ertoe strekt om eerste verweerster "in de gelegenheid (te stellen) om haar
voorkeurrecht vooralsnog in natura te kunnen uitoefenen" en dat aangezien
er tussen de eiseres en de tweede verweerster geen afzonderlijke koop van lot 2
werd gesloten, noch een prijs werd bepaald, de nietigheid noodzakelijk moet
worden uitgesproken "van de integrale verkoopovereenkomst zoals zij werd
opgenomen in voormelde notariële verkoopakte".
Door aldus te oordelen stellen de appelrechters de rechtsgrond vast
waarop zij de vernietiging van de verkoopovereenkomst laten steunen, waardoor het
Hof de wettigheid van de beslissing kan toetsen en verantwoorden zij hun
beslissing naar recht.
6. Het onderdeel kan niet worden aangenomen.
Derde onderdeel
7. De appelrechters oordelen dat "brutaal winstbejag en
kwaadwilligheid (niet) wordt aangetoond in hoofde van (de eerste
verweerster)" en dat aangezien er geen afzonderlijke koop van lot 2 werd
gesloten, noch de prijs werd bepaald, aan de eerste verweerster "niet ten
kwade (kan) worden geduid dat zij de nietigverklaring vordert van de gehele
verkoop, aangezien het haar niet mogelijk is deze eis enkel in te stellen voor
lot 2".
De appelrechters verwerpen en beantwoorden aldus het bedoelde verweer.
8. Het onderdeel mist feitelijke grondslag.
Tweede middel
Eerste onderdeel
9. De appelrechters beslissen dat de tweede verweerster gehouden is het
lot 2 te koop aan te bieden aan de eerste verweerster voor de prijs van
87.842,26 euro.
Hiervoor steunen de appelrechters niet op de nietigverklaarde
verkoopovereenkomst maar op de werkelijke waarde van lot 2 in de totale
verkoopprijs en op de verplichtingen die voortvloeien uit het aan de eerste
verweerster verleende voorkeurrecht.
10. Het onderdeel dat berust op een onvolledige lezing van het arrest,
mist feitelijke grondslag.
Tweede onderdeel
11. De door het arrest geciteerde akte van 5 januari 1982 bepaalt dat
een recht van voorkeur wordt verleend "voor de aankoop van het deel van
het achterliggend (sous-jacent) goed aangeduid onder de letters BCED op
voornoemd plan, zijnde lot 2, hierna "het goed" genaamd" en dat
dit recht kan worden uitgeoefend "telkens de maatschappij-verkoopster het
goed wenst te verkopen".
Door te oordelen dat uit de akte van 5 januari 1982 blijkt dat de tweede
verweerster ertoe gehouden is het lot 2 van de eerste verweerster te koop aan
te bieden wanneer zij het voornemen (intention) heeft het geheel van goederen
te verkopen waarvan het lot 2 deel uitmaakt, geven de appelrechters van deze
akte een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar
(incompatible) is.
12. Het onderdeel mist, in zoverre het de miskenning van de bewijskracht
van akten aanvoert, feitelijke grondslag.
13. Door te oordelen dat de tweede verweerster ertoe gehouden is
afzonderlijk het lot 2 aan de eerste verweerster te koop aan te bieden, doen de
appelrechters evenmin afbreuk aan de verbindende kracht van de akte van 5
januari 1982, noch schenden zij de artikelen 1142 tot en met 1145 van het
Burgerlijk Wetboek.
Het onderdeel kan, in zoverre, niet worden aangenomen.”
(rejet)
> La sanction de la violation d’un droit de préemption
30 août 2006, par CARNOY, Gilles
La Cour de cassation française décidé ceci (Cass. fr. chambre mixte, arrêt n° 240 du 26 mai 2006, www.courdecassation.fr :
Mais attendu que, si le bénéficiaire d’un pacte de préférence est en droit d’exiger l’annulation du contrat passé avec un tiers en méconnaissance de ses droits et d’obtenir sa substitution à l’acquéreur, c’est à la condition que ce tiers ait eu connaissance, lorsqu’il a contracté, de l’existence du pacte de préférence et de l’intention du bénéficiaire de s’en prévaloir ; qu’ayant retenu qu’il n’était pas démontré que la société Emeraude savait que Mme Y ... avait l’intention de se prévaloir de son droit de préférence, la cour d’appel a exactement déduit de ce seul motif, que la réalisation de la vente ne pouvait être ordonnée au profit de la bénéficiaire du pacte ;